Vraag: wat is een spaarjaar voor de spaarhypotheek?In 1994 hebben wij een een gedeelte van onze hypotheek als spaarhypotheek genomen. De rente ingangsdatum is 1-4-1994 en de aanvang van de looptijd van de lening is 1-8-1994. Het was namenlijk een nieuwbouwwoning. De eerste periode hebben wij dus bouwrente betaald. Op deze spaarhypotheek hebben wij een aantal malen een extra premiestorting gedaan. In 1996 heb ik twee stortingen gedaan. Op advies van onze hypotheek verstrekker kon dit. één storting voor 1-8-1996 en één storting na 1-8-1996. Een jaar zou van 1-8- tot 1-8 lopen. Uit informatie van u in 1998 begrijp ik, dat de belastingdienst echter per kalender jaar kijkt van 1-1- tot 31-12. Dit betekent, dat in 1996 mijn premie plusminus 800,00 hoger is geweest als momenteel 10 maal de laagste premie. Dit verschil wordt nog veel hoger als mijn verzekering in 2014 eindigt, omdat wij dan maar een halfjaar premie betalen. Van 1 januari 2014 tot 1 augustus 2014. Zijn wij nu op het verkeerde been gezet, en hoe kan ik de gevolgen hiervan inschatten? B. van de H. te Utrecht. |
De bronnen spreken elkaar tegen. Aan de ene kant van het spectrum tref ik in voorlichting van verzekeraars als definitie van een spaarjaar: "een periode van twaalf maanden die loopt vanaf de startdatum van de overeenkomst". Onder voorwaarde dat die definitie klopt, is er voor u niets aan de hand.
De wet geeft geen definie van een spaarjaar, maar stelt als eis dat "ten minste 20 jaren jaarlijks premies zijn voldaan". Vervolgens stelt de wet dat de vrijstelling waar u gebruik van wilt maken niet geldt indien de hoogste premie meer dan tien keer de laagste heeft bedragen. Over het geheel valt op dat de wet is geschreven op een premiebedrag per jaar, terwijl de meeste polissen worden verkocht met maandelijkse premies. Wie ooit de kans krijgt de kleine lettertjes van de polis te lezen, ontdekt dat de verzekeraar een groter percentage van de premie in eigen zak steekt bij maandelijkse termijnen dan bij jaarlijkse termijnen (die wel degelijk mogelijk zijn maar niet worden verkocht omdat tussenpersonen er dan minder aan verdienen). Aangezien de Belastingdienst wel is gebonden aan de wet maar niet aan de commercieel ingegeven interpretatie van de verzekeraars, staat het de Belastingdienst in principe vrij om een jaar te definiëren als een kalenderjaar.
Onafhankelijke adviseurs houden zich wijselijk op de vlakte, omdat jurisprudentie nog ontbreekt. Die zal ongetwijfeld volgen in de jaren nadat veel uitkeringen worden gedaan. Zoals ik in 1998 reeds schreef is in de verkoop van dit soort verzekeringen de grote hausse pas eind jaren tachtig op gang gekomen; gevolg is dat pas rond 2005 de eerste grote aantallen uitkeringen gedaan worden.
Gezien de momenteel bestaande onzekerheid moet u rekenen op het ergste. In uw situatie zou het ergste zijn dat u inkomstenbelasting betaalt over het volledige rendement. Veel alternatieven heeft u echter niet. De minste premie betaalde u in 1994 (namelijk vijf termijnen) en de meeste premie betaalde u in 1996 (namelijk twee extra stortingen). Het jaar 2014 vormt geen probleem omdat u dan zeven termijnen betaalt, meer dan u in 1994 deed. Uw enige kans is momenteel om met een stalen gezicht het tot op heden door de verzekeraars ingenomen standpunt te volgen. Hopelijk bent u in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende interessant om de kwestie aanhangig te maken. Momenteel stelt de Belastingdienst in haar interne opleidingsmateriaal nog wel dat vrijwel altijd wordt voldaan aan het criterium dat de hoogste jaarpremie niet meer is dan tien keer de laagste jaarpremie.
© Jeroen van Rossum, 20 juni 2001.